de voornaamwoorden
pronouns - les pronoms

Nederlands English français
ik I je
jij / je
u  [respect]
you tu
vous
hij
zij / ze
het
he
she
it
il
elle
 
wij / we we nous
jullie you vous
zij / "ze" [familiar] they ils
elles





Nederlands English français
mijn my mon, ma, mes
jouw your ton, ta, tes
zijn
haar
his
her
son, sa, ses
ons / onze our notre, nos
jullie your votre, vos
hun their leur(s)